ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij terugvordering bijstand
Appellant en appellante ontvingen sinds december 2004 bijstand ingevolge de WWB. In mei 2005 ontving appellante een nabetaling van het UWV, die niet werd gemeld bij de rechtmatigheidsonderzoeken. Het College stelde dat hierdoor de inlichtingenverplichting was geschonden en herzag het toekenningsbesluit met terugvordering van €1.836,15 bruto.
Het bezwaar tegen deze herziening werd ongegrond verklaard en appellanten stelden beroep in. Tijdens het beroep werd aan appellante met terugwerkende kracht een WAO-uitkering toegekend, die de terugvordering van bijstand overbodig maakte doordat het bedrag aan het College werd betaald.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een reëel procesbelang, omdat appellanten geen recht op bijstand hadden door de WAO-uitkering. De Raad bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van bijstand wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een reëel procesbelang.