ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medische noodzaak gesloten buitenwagen bij chronische longaandoening
Appellante heeft op 8 januari 2002 een aanvraag ingediend voor een gesloten buitenwagen op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Het College wees deze aanvraag in juli 2002 af, stellende dat collectief vervoer voldoende was. Na bezwaar en beroep bleef het College bij dit standpunt, gesteund door een advies van Argonaut B.V. uit 2005.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 14 februari 2006 ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege haar ernstige chronische longaandoening wel degelijk recht had op een gesloten buitenwagen, omdat zij slechts korte afstanden kan lopen en collectief vervoer niet adequaat is voor haar situatie.
De Raad overwoog dat het criterium voor medische noodzaak objectief moet worden vastgesteld en dat het advies van Argonaut, gebaseerd op dossieronderzoek, huisbezoek en lichamelijk onderzoek, voldoende zorgvuldig was. De medische stukken toonden niet aan dat appellante tijdens de relevante periode aangewezen was op gesloten buitenvervoer. Ook de latere verklaringen van haar huisarts en longarts konden daaraan geen andere betekenis geven.
De Raad concludeerde dat appellante niet medisch was aangewezen op een gesloten buitenwagen en bevestigde het bestreden vonnis. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet medisch is aangewezen op een gesloten buitenwagen en verklaart het hoger beroep ongegrond.