ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens te late aanvraag zonder bijzonder geval
Appellante viel op 26 april 1999 uit haar werk en vroeg later een WAO-uitkering aan, die werd afgewezen. Op 30 augustus 2006 vroeg zij een WW-uitkering aan voor de periode van 24 april 2000 tot en met 30 april 2001. Het UWV weigerde deze omdat de aanvraag niet binnen 26 weken na die periode was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen bijzonder geval was dat een uitzondering op de termijn rechtvaardigde. Appellante stelde in hoger beroep dat zij onjuist was voorgelicht door medewerkers van het UWV, die haar hadden aangeraden te wachten met de WW-aanvraag zolang de WAO-procedure liep.
De Raad liet het UWV navraag doen en concludeerde dat deze verklaringen niet konden worden bevestigd. De Raad stelde vast dat de rechtbank de wet op een onjuiste wijze toepaste, maar dat dit niet tot vernietiging leidt omdat appellante niet binnen de termijn heeft aangevraagd en geen bijzonder geval aannemelijk heeft gemaakt.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee de weigering van de WW-uitkering standhoudt.
Uitkomst: De aanvraag van de WW-uitkering wordt geweigerd omdat deze niet binnen de wettelijke termijn is ingediend en er geen bijzonder geval is.