ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens onvoldoende economische en sociale binding met Nederland
Appellante, die van 1993 tot 2005 in Nederland woonde, vertrok om gezondheidsredenen naar het buitenland en keerde in september 2007 met haar kinderen terug naar Nederland. Zij vroeg kinderbijslag aan, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij niet als verzekerde ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) werd aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende economische binding met Nederland had, omdat zij afhankelijk was van een bijstandsuitkering en woonde in een opvangcentrum zonder zelfstandige woonruimte. Ook de sociale binding was zwak, aangezien zij nog geen maand in Nederland verbleef en haar partner in het buitenland verbleef. Juridisch was er wel een binding vanwege haar Nederlandse nationaliteit.
Verder stelde de Raad vast dat bij vertrek uit Nederland met het oog op definitieve vestiging elders het ingezetenschap eindigt op de dag na vertrek. Omdat appellante ruim twee jaar afwezig was geweest, was haar ingezetenschap bij terugkomst niet direct hersteld. Gezien het totaalbeeld concludeerde de Raad dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven niet in Nederland lag en zij niet verzekerd was voor de AKW. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag omdat zij niet als verzekerde voor de AKW wordt aangemerkt.