ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3909
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. de Mooij
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Weigering verdere terugwerkende kracht herziening AOW-pensioen na arrest Wessels-Bergervoet
Appellant, geboren in 1935, vroeg in oktober 1999 een AOW-pensioen aan. Bij besluit in februari 2000 werd een korting toegepast op zijn toeslag vanwege verzekeringsperioden van zijn echtgenote waarin zij niet verzekerd was. Na het arrest Wessels-Bergervoet van het EHRM in 2002, dat deze korting onrechtmatig verklaarde, verzocht appellant in september 2002 om herziening van zijn pensioen met terugwerkende kracht. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verhoogde de toeslag met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002, maar weigerde verder terug te gaan.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat de herziening met volledige terugwerkende kracht moest plaatsvinden. De Svb startte een proefprocedure, en het bezwaar werd aangehouden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant niet tijdig bezwaar had gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit, waardoor formele rechtskracht aan dat besluit toekomt. Jurisprudentie vormt geen nieuw feit voor herziening. De Svb handelde niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Verder oordeelde de Raad dat de Svb terecht geen hoorzitting hield, omdat er geen reden was het bezwaar anders te behandelen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, mede omdat de Svb met instemming van appellant had gewacht op de proefprocedure. De Raad bevestigde het beleid van de Svb omtrent terugwerkende kracht na het arrest Wessels-Bergervoet en wees het verzoek van appellant af.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.