ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3464

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1445 MAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 AMARArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag wegens wangedrag zonder verplicht medisch onderzoek

Appellant, korporaal bij de 1 Logistieke brigade, werd ontslagen wegens wangedrag na meerdere incidenten, waaronder vechtpartijen en overtredingen, waarvoor hij strafrechtelijk werd veroordeeld. Na een formele waarschuwing volgde het ontslagbesluit van 12 juli 2006, dat na bezwaar werd gehandhaafd.

In hoger beroep betoogde appellant dat zijn gedrag voortkwam uit psychische problemen door traumatische ervaringen tijdens uitzendingen, waaronder mishandeling en getuige zijn van een ongeluk. Hij stelde dat de staatssecretaris een medisch onderzoek had moeten laten instellen om de toerekenbaarheid van zijn wangedrag te onderzoeken.

De Raad concludeerde dat appellant dit niet met medische gegevens had onderbouwd en dat hij tijdens hoorzittingen geen melding maakte van psychische problemen. De enkele verwijzing naar posttraumatische stress was onvoldoende reden voor een verplicht medisch onderzoek. Ook het bezwaar dat het ontslagbesluit onevenredig zwaar was, werd afgewezen gezien de ernst van het gedrag en eerdere waarschuwingen.

De Raad bevestigde daarmee het ontslagbesluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het ontslag wegens wangedrag wordt bevestigd zonder verplicht medisch onderzoek.

Uitspraak

08/1445 MAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 januari 2008, 07/3924 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 9 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. de Boer, advocaat te Sneek. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden, werkzaam bij het ministerie van Defensie.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam bij de 1 Logistieke brigade in de rang van korporaal.
1.2. In oktober 2004 was appellant betrokken bij een vechtpartij in een kroeg. Hiervoor is hij door de strafrechter veroordeeld tot 80 uur dienstverlening. Naar aanleiding van dit incident heeft de staatssecretaris op 28 september 2005 aan appellant door middel van een ambtsbericht een formele waarschuwing gegeven dat dit gedrag niet wordt getolereerd. In dat ambtsbericht is verder bepaald dat appellant er ernstig rekening mee moet houden dat een dergelijk vergrijp in de toekomst zal leiden tot verdere rechtspositionele maatregelen, waarbij ontslag niet wordt uitgesloten. Daarna heeft een incident plaatsgevonden, waarbij appellant is aangehouden wegens het overtreden van een algemeen horecaverbod in [plaatsnaam]. Appellant heeft voor deze overtreding een transactieaanbod van € 600,00 geaccepteerd. Op 15 februari 2006 is appellant vervolgens betrokken geweest bij een vechtpartij in een shoarmazaak. Appellant is naar aanleiding van dit incident en zijn optreden op het politiebureau na aanhouding, veroordeeld wegens mishandeling, vernieling en schennis van de eerbaarheid. Appellant is hiervoor veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar en 40 uren dienstverlening.
1.3. Bij besluit van 12 juli 2006 is appellant met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) ontslag verleend wegens wangedrag. Bij het bestreden besluit van 3 april 2007 is dit ontslagbesluit, na door appellant gemaakt bezwaar, gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR, kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.
3.2. De onder 1.2 genoemde incidenten zijn niet tussen partijen in geschil. Daarmee staat voor de Raad vast dat appellant zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Deze gedragingen zijn als wangedrag aan te merken.
3.3. Het geding spitst zich toe op de vraag of appellant in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om tot ontslagverlening over te gaan. Appellant is van opvatting dat het verweten gedrag hem niet toerekenbaar is. Naar appellants oordeel is miskend dat hij getraumatiseerd is geraakt door de uitzendingen waaraan hij heeft deelgenomen. Met name noemt appellant twee nare ervaringen in Bosnië, waar hij slachtoffer was van mishandeling en waar hij getuige was van een ongeluk met een vrachtauto van Defensie. Door deze ervaringen is hij psychisch in de problemen geraakt. Zijn alcoholgebruik vloeit voort uit het feit dat hij getraumatiseerd is. Appellant stelt zich op het standpunt dat de staatssecretaris in het kader van zorgvuldige besluitvorming hem medisch had moeten laten onderzoeken op de aanwezigheid van een posttraumatisch stressyndroom (PTSS).
3.4. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de staatssecretaris een medisch onderzoek had moeten laten instellen naar de vraag of appellants wangedrag hem wel volledig kan worden toegerekend. Appellant heeft tijdens twee hoorzittingen, op 23 september 2005 en op 15 mei 2006, niet aangegeven dat zijn gedrag wordt veroorzaakt door psychische problemen. Wel heeft hij verklaard dat hij als gevolg van alcoholgebruik eerder geïrriteerd raakt en dat hij drinkt voor de gezelligheid. Appellant heeft eerst in bezwaar tegen het primaire ontslagbesluit aangevoerd dat hij getraumatiseerd was. Deze stelling heeft hij in bezwaar en later op geen enkele manier onderbouwd met medische gegevens. Bij het ontbreken van medische gegevens die twijfel doen rijzen aan de toerekenbaarheid, was de staatssecretaris niet gehouden een medisch onderzoek in te laten stellen.
Ter zitting heeft appellants gemachtigde nog gesteld dat het verslag van de hoorzitting van 15 mei 2006 de staatssecretaris aanleiding had moeten geven tot het instellen van een nader onderzoek. Daarbij doelt de gemachtigde kennelijk op de passage die handelt over het incident in de shoarmazaak en waarover appellant zegt: ‘De KMAR gooide het, volgens belanghebbende, op posttraumatische stress.’ Ook deze enkele stelling van appellant, waarover geen bijzonderheden bekend zijn, kan niet meebrengen dat de staatssecretaris gehouden was een onderzoek te laten instellen.
3.5. De Raad beantwoordt de onder 3.3 geformuleerde vraag dus bevestigend. De in hoger beroep door appellant nog geuite grief dat het ontslagbesluit onevenredig zwaar is, treft evenmin doel. De Raad wijst op de aard en ernst van de verweten gedragingen en betrekt hierbij dat appellant gewaarschuwd is voor de gevolgen van herhaald soortgelijk gedrag.
4. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.
5. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) K. Moaddine.
HD