ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2515

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-363 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73a AwbArt. 8:75a AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding wettelijke rente en proceskosten na intrekking hoger beroep tegen UWV-beslissing

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een UWV-beslissing. Het UWV nam vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar die geheel tegemoet kwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Raad stelde vast dat het UWV met de nieuwe beslissing geheel aan de bezwaren tegemoet was gekomen en wees op de wettelijke grondslagen in de Algemene wet bestuursrecht en de Beroepswet die vergoeding van schade en kosten mogelijk maken bij intrekking van beroep wegens tegemoetkoming.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, verwijzend naar een eerdere uitspraak voor de wijze van berekening. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten, begroot op €322.

De Raad sloot het onderzoek zonder zitting af, aangezien partijen hiermee instemden en het UWV geen verweerschrift had ingediend.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten van €322 aan appellant.

Uitspraak

09/363 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:73a en artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2008, 07/3012 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.I. Steinmetz, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft op 6 maart 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 9 maart 2009 heeft mr. Steinmetz namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
In artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 6 maart 2009 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen.
De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, gepubliceerd in JB 1995, 314.
De Raad acht tevens termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De Raad stelt vast dat, aan gezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van de proceskosten die aan de zijde van appellant zijn gevallen in verband met de procedure in beroep, hier slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan. Deze proceskosten worden voor verleende bijstand begroot op € 322,-.
De Raad merkt op dat uit artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellant zich met een verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep tot het Uwv kan wenden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken is het openbaar op 8 juli 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) T.J. van der Torn.
EV