ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering AOW-uitkering wegens niet-verzekerd zijn in Nederland
Appellanten, bestaande uit een echtpaar waarvan de echtgenote in België woonde en als zelfstandige werkte, maakten bezwaar tegen de herziening en terugvordering van een AOW-uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had vastgesteld dat appellante vanaf 1 januari 1962 niet verzekerd was krachtens de AOW, omdat zij in België als zelfstandige was verzekerd volgens het Belgische stelsel.
De rechtbank had de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat het Verdrag tussen Nederland en België en de Europese Verordening (EEG) nr. 1408/71 de exclusieve toepassing van de Belgische wetgeving op appellante bepaalden. De Raad bevestigt deze uitleg en wijst erop dat het Verdrag voor de periode vóór 1 oktober 1972 geldt, en dat Vo. 1408/71 daarna volledig in de plaats is gekomen.
Appellanten voerden aan dat de woonfictie voor partners van Nederlandse militairen buiten Nederland in aanmerking genomen had moeten worden en dat het Belgische stelsel vergeleken had moeten worden met het Nederlandse. De Raad oordeelt dat deze stellingen niet tot een ander oordeel leiden en bevestigt dat appellante niet verzekerd was krachtens de AOW vanaf 1 januari 1962 tot haar 65e verjaardag. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van de AOW-uitkering bevestigd.