ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Beoordeling appelverbod en hoor en wederhoor bij afwijzing voorlopige voorziening WWB
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen die het verzoek om een voorlopige voorziening inzake het niet in behandeling nemen van een aanvraag om bijstand had afgewezen. Volgens artikel 18, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beroepswet is tegen dergelijke uitspraken geen hoger beroep mogelijk, tenzij sprake is van een evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen.
De Raad heeft onderzocht of het appelverbod doorbroken kan worden vanwege een vermeende schending van het beginsel van hoor en wederhoor en de motivering van de voorzieningenrechter. De Raad concludeert dat appellant zijn bezwaar en verzoek voldoende heeft gemotiveerd en het College gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Er is geen sprake van een evidente schending van de eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen.
Verder merkt de Raad op dat appellant vrij stond een nieuwe aanvraag om bijstand in te dienen. Gezien het voorgaande verklaart de Raad zich onbevoegd tot behandeling van het hoger beroep en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd tot behandeling van het hoger beroep wegens het appelverbod.