ECLI:NL:CRVB:2009:BI9789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Weigering herziening WAO-uitkering wegens verschillende ziekteoorzaak
Appellante ontving sinds november 2001 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 45-55%, die in 2003 werd herzien naar 35-45%. Per 8 juni 2004 meldde zij zich ziek met cognitieve klachten en duizeligheid. Het UWV stelde vast dat haar beperkingen toen waren toegenomen, maar weigerde herziening van de uitkering omdat deze toename niet voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak als de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er geen toename van beperkingen was. De Centrale Raad van Beroep corrigeert dit en stelt dat er wel degelijk een toename was, maar dat deze niet voortkomt uit dezelfde oorzaak. De bezwaarverzekeringsarts motiveerde dit standpunt overtuigend, ondanks rapporten van een reumatoloog die een progressie van klachten constateerde.
De Raad bevestigt dat de wachttijd voor herziening daarom 104 weken bedraagt in plaats van 4. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering wordt geweigerd omdat de toegenomen beperkingen niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak.