ECLI:NL:CRVB:2009:BI9782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand sinds 1 maart 1999 met een onderbreking in 2003. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot de bijstand in te trekken met ingang van 19 november 1999, omdat appellant volgens hen feitelijk op een ander adres woonde dan opgegeven. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen de opschorting van de bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt vast dat het besluit tot intrekking nog geen formele rechtskracht had en dat het College onvoldoende heeft bewezen dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde. De verklaring van appellant was niet eenduidig en er is geen nader onderzoek verricht naar zijn hoofdverblijf.
Daarom vernietigt de Raad het besluit van 17 januari 2006 en herroept het besluit van 21 juli 2005. Het bezwaar tegen de opschorting wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding en het College wordt veroordeeld in de proceskosten.