ECLI:NL:CRVB:2009:BI9770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag wegens niet tijdig aanleveren bankafschriften
Appellant diende op 3 oktober 2005 een aanvraag om bijstand in. Het College verzocht hem om ontbrekende stukken, waaronder bankafschriften van de afgelopen drie maanden, uiterlijk 10 november 2005 aan te leveren. Appellant heeft deze stukken niet binnen de gestelde hersteltermijn overgelegd, noch om verlenging verzocht. Het College liet de aanvraag op 14 november 2005 buiten behandeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb.
Appellant diende vervolgens op 23 november 2005 een nieuwe aanvraag in, waarop bijstand werd toegekend met ingang van die datum. Het bezwaar tegen het buiten behandeling laten van de eerste aanvraag en de toekenning van bijstand per 23 november werd door het College ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet tijdig de gevraagde stukken had kunnen aanleveren vanwege zijn psychische toestand en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat inlevering alleen op afspraak mogelijk was. De Raad stelde vast dat appellant voldoende tijd had gekregen en dat er geen aanwijzingen waren dat hij door zijn psychische toestand niet in staat was de stukken tijdig te overleggen of om uitstel te vragen. Ook ontbraken bijzondere omstandigheden om bijstand toe te kennen vóór 23 november 2005.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het College terecht de aanvraag van 3 oktober 2005 buiten behandeling heeft gelaten en dat de ingangsdatum van de bijstand op 23 november 2005 terecht is vastgesteld. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2009.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand van 3 oktober 2005 wordt buiten behandeling gelaten wegens het niet tijdig overleggen van gevraagde bankafschriften.