ECLI:NL:CRVB:2009:BI9769
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens termijnoverschrijding
Appellante ontving een bijstandsuitkering die het College van burgemeester en wethouders van Lelystad bij besluiten van december 2006 introk en terugvorderde over de periode van oktober 2005 tot september 2006. De besluiten werden aangetekend verzonden, waarbij de Raad aannam dat de ontvangst op 29 december 2006 plaatsvond. De termijn voor het indienen van bezwaar bedroeg zes weken, waardoor het bezwaar uiterlijk op 9 februari 2007 had moeten worden ingediend.
Appellante diende echter pas op 23 maart 2007 bezwaar in tegen de intrekking en terugvordering. Zij stelde dat zij pas na toezending van een kopie van het terugvorderingsbesluit op 16 maart 2007 kennis had genomen van de besluiten, en dat de termijn daarom pas toen was aangevangen. De Raad oordeelde dat de bezwaartermijn op 29 december 2006 was gestart, omdat het College aannemelijk had gemaakt dat de besluiten correct waren verzonden en aangeboden aan het juiste adres.
De Raad verwierp het verweer van appellante dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Ook achtte de Raad het niet aannemelijk dat appellante het intrekkingsbesluit niet had ontvangen, mede gelet op haar wisselende verklaringen en het feit dat zij geen navraag had gedaan bij het College. De rechtbank had het beroep van appellante reeds ongegrond verklaard, en de Raad bevestigde deze uitspraak zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante tegen de besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.