ECLI:NL:CRVB:2009:BI9029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering en vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant, die sinds 1989 in Nederland woont en sinds 1992 ziekgemeld is, vroeg in 1996 een WAO-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in 2001 niet verzekerd was en de aanvraag te laat was ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege het niet beoordelen van de arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit en kende een schadevergoeding van € 1.600 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep stelde appellant dat er wel medische informatie beschikbaar was en dat het risico van onduidelijkheid niet volledig bij hem gelegd mocht worden. De Centrale Raad oordeelde dat de late aanvraag en het ontbreken van tijdige rechtsmiddelen voor rekening van appellant komen, waardoor het besluit tot weigering terecht is. De Raad stelde vast dat de redelijke termijn met ruim vijf jaar was overschreden door het UWV en verhoogde de schadevergoeding naar € 5.000, waarbij de levensstandaard in Marokko geen rol speelt.
De Raad veroordeelde het UWV tevens tot betaling van proceskosten en griffierecht. De beslissing bevestigt het belang van tijdige aanvragen en rechtsmiddelen en benadrukt de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor een tijdige afhandeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en kent appellant een schadevergoeding van € 5.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.