ECLI:NL:CRVB:2009:BI6161

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2645 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Ziektewet (ZW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op ziekengeld wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 15 november 2004

Betrokkene was administratief medewerker en viel in 2001 uit door whiplash-gerelateerde klachten na een verkeersongeval. Na een periode van arbeidsongeschiktheid ontving hij een WAO-uitkering en meldde zich in 2004 ziek wegens psychische klachten. Het UWV beëindigde per 15 november 2004 het recht op ziekengeld omdat betrokkene niet meer als arbeidsongeschikt werd beschouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van het UWV, mede op basis van een rapport van een door de rechtbank ingeschakelde neuroloog die betrokkene volledig arbeidsongeschikt achtte. In hoger beroep stelde het UWV dat de beoordeling van depressieve klachten meer bij een psychiater ligt en dat de bezwaarverzekeringsarts een zorgvuldige en onderbouwde beoordeling had gemaakt.

De Raad overwoog dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige in principe wordt gevolgd, maar dat in dit geval bijzondere omstandigheden aanleiding geven daarvan af te wijken. De Raad vond het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts, ondersteund door een multidisciplinair expertise-onderzoek en medische rapporten, voldoende zorgvuldig en onderbouwd. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Uitspraak

07/2645 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 27 maart 2007, 05/322 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 27 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, een verweerschrift ingediend en zijn stukken overgelegd, waarop appellant heeft gereageerd.
Op verzoek van de Raad heeft de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde neuroloog drs. O.G. Sie gereageerd op het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer, die daarop weer zijn reactie heeft gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver. Namens betrokkene is verschenen mr. J.G.H. van der Kolk, kantoorgenoot van mr. Visser.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene, die in het verleden werkzaam was als administratief medewerker bij een schildersbedrijf, is op 4 februari 2001 uitgevallen ten gevolge van whiplash-gerelateerde klachten na een verkeersongeval. In aansluiting op de toenmalige wachttijd van 52 weken is aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45 %. Aanvullend ontving betrokkene een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.
1.2. Vanuit die situatie heeft betrokkene zich per 24 mei 2004 ziek gemeld in verband met psychische klachten. Na onderzoek door verzekeringsarts J.A.H.W. Aalders op 11 november 2004 heeft appellant bij besluit van dezelfde datum aan betrokkene meegedeeld dat hij met ingang van 15 november 2004 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat hij op en na genoemde datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 28 februari 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, onder bepalingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij in de ingebrachte medische stukken aanleiding heeft gezien de neuroloog O.G. Sie als deskundige in te schakelen, die in zijn rapportage van 13 april 2006 heeft geconcludeerd dat betrokkene aan een chronisch pijnsyndroom lijdt, een chronisch whiplash-syndroom met cognitieve functiestoornissen en een depressie. Volgens deze deskundige was sprake van ziekte of gebrek, waardoor betrokkene op 15 november 2004 in het geheel niet tot werken in staat geacht kon worden en was de Functionele Mogelijkhedenlijst daarom ook niet juist vastgesteld. De rechtbank heeft de conclusies van de deskundige gevolgd, als gevolg waarvan is geoordeeld dat het besluit op bezwaar van appellant gebaseerd is op een onjuiste feitelijke grondslag waar het de belastbaarheid van betrokkene betreft.
3.1. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Dreijer van 4 juli 2007, aangevoerd dat de conclusies van de deskundige niet zonder meer gevolgd kunnen worden, omdat de beoordeling van de depressieve klachten meer op het terrein van een psychiater ligt en niet duidelijk is of de deskundige de reactie van de bezwaarverzekeringsarts heeft meegewogen bij zijn standpuntbepaling. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat de beperkingen van betrokkene voor arbeid per 15 november 2004 juist zijn ingeschat.
3.2. Betrokkene onderschrijft het oordeel van de rechtbank en heeft ter ondersteuning van zijn standpunt stukken overgelegd, waaruit blijkt dat hij ingaande 22 februari 2007 alsnog voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is aangemerkt.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. In vaste jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geïndiceerd. In het onderhavige geval ziet de Raad, op basis van de voorhanden medische gedingstukken, voldoende aanleiding van deze hoofdregel af te wijken en de deskundige niet te volgen in zijn conclusie dat betrokkene per 15 november 2004 in het geheel niet tot werken in staat kon worden geacht. Aan de rapportage van de deskundige kent de Raad dan ook niet die betekenis toe die de rechtbank daaraan heeft toegekend en die betrokkene daaraan toegekend wenst te zien.
4.2. In dat verband wijst de Raad erop dat uit het op het verzoek van de verzekeringsarts op 27 oktober 2004 uitgebrachte rapport van het expertise-onderzoek door onder meer een revalidatie-arts en een psycholoog van het Academisch Centrum voor Arbeid en Gezondheid (ACAG) blijkt dat voor de door betrokkene ervaren klachten geen medische verklaringen worden gevonden en dat er geen contra-indicaties zijn voor belasting in arbeid. Op grond van het psychologisch onderzoek wordt in dit rapport geconcludeerd dat betrokkene zeker nog mogelijkheden heeft tot reïntegreren in een werkplek, waarbij rekening gehouden moet worden met de langdurige inactiviteit en de negatieve gevolgen hiervan op de fysieke en mentale conditie. Voorts blijkt uit het door betrokkene in bezwaar overlegde rapport van zijn behandelend neuroloog C. Bouwsma dat er geen neurologische afwijkingen zijn, maar dat de pijnklachten wel worden gezien als een gevolg van het ongeval. De klachten op cognitief gebied kunnen evenwel niet verklaard worden uit een neurologische oorzaak. Op grond van deze medische gegevens en eigen onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts Dreijer geen reden gezien om betrokkene zwaarder te beperken dan in het verleden is gedaan. Ook uit de door betrokkene in beroep overgelegde rapportage van de neuropsycholoog G. Kraayenbrink, waarin is aangegeven dat er stoornissen zijn in betrokkenes mentale functioneren, blijkt niet duidelijk een medisch objectiveerbare oorzaak van de klachten. Evenmin kan uit in de in beroep overgelegde rapportage van 4 januari 2005 van de klinisch psycholoog Wiersma in het kader van een indicatiestelling voor psychotherapie arbeidsongeschiktheid van betrokkene worden afgeleid, nu de gesignaleerde milde depressieve klachten ook reeds in het rapport van ACAG zijn vermeld en zijn meegewogen. Uit de reacties van de bezwaarverzekeringsarts Dreijer van 11 mei 2006 en 1 april 2009 op de rapportage van de deskundige Sie van 13 april 2006 en diens aanvullende reactie van 22 februari 2009 blijkt naar het oordeel van de Raad dat betrokkene reeds ruim voor het ongeval in 2001 vermoeidheidsklachten, nekklachten en cognitieve klachten had, waarvoor hij ook wel is onderzocht, maar waarvoor nooit een medische verklaring is gevonden terwijl er sprake was van discrepanties tussen klachten en bevindingen. In dat verband heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de door de deskundige genoemde pijnstoornis/whiplashklachten naast (milde) depressieve klachten over het algemeen geen aanleiding vormen voor het aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid. Het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat betrokkene per 15 november 2004 in staat moest worden geacht tot het verrichten van zijn arbeid is niet alleen gebaseerd op diens eigen bevindingen, maar wordt mede ondersteund door de resultaten van het onderzoek van ACAG en verkregen informatie uit de behandelend sector. Hiermee heeft het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden en is het standpunt van appellant hiermee genoegzaam onderbouwd.
4.3. De conclusie uit de overwegingen 4.1 en 4.2 is dat het hoger beroep van appellant slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en M.C.M. van Laar en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2009.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) A.L. de Gier.
TM