ECLI:NL:CRVB:2009:BI5925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bedee
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang en arbeidsongeschiktheid bij WAO-uitkeringsaanvraag
Appellant, voormalig visfileerder, vroeg een WAO-uitkering aan wegens vermeende arbeidsongeschiktheid door schouderklachten. Het UWV wees de aanvraag af omdat uit medisch onderzoek bleek dat appellant op de datum in geding, 10 februari 2003, niet arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een beslissing niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en wees het bezwaar tegen de afwijzing ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant geen procesbelang had bij het beroep tegen het uitblijven van een beslissing, omdat het UWV reeds op 13 juni 2006 een beslissing had genomen. Daarnaast oordeelde de Raad dat de medische beoordeling door verzekeringsartsen en andere medisch specialisten zorgvuldig was en dat appellant geen nieuwe informatie had aangevoerd die aanleiding gaf tot twijfel.
De Raad verwierp het betoog van appellant dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist was vastgesteld, omdat zowel appellant als zijn werkgever en het UWV consistent uitgingen van 11 februari 2002. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen procesbelang heeft en dat hij op de datum in geding niet arbeidsongeschikt was volgens de WAO.