ECLI:NL:CRVB:2009:BI4895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herbeoordeling medische beperkingen
Appellant ontving sinds 30 november 2001 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Na een heronderzoek in 2004 heeft het Uwv de uitkering per 4 maart 2005 ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bleek te zijn. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen, met name aan zijn rechterhand en psychische klachten, ernstiger waren dan vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van februari 2006. Hij voerde aan dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende onderbouwing gaf voor het aannemen van minder beperkingen dan de oorspronkelijke verzekeringsarts. Tevens stelde hij dat het Uwv onvoldoende motiveerde waarom de geselecteerde functies passend waren. Daarnaast maakte appellant aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig en de conclusies juist waren. De bezwaarverzekeringsarts had op inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom hij minder beperkingen aannam, waarbij hij onder meer een somatiserende component constateerde en geen objectieve aanwijzingen vond voor zwaardere psychische beperkingen. De functies werden als passend beoordeeld, en de schadevergoeding wegens termijnoverschrijding was reeds door het Uwv voldaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.