ECLI:NL:CRVB:2009:BI4844

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6284 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:22 ARUArt. 7:14 Collectieve ArbeidsvoorwaardenregelingArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie stopzetting bezoldiging wegens werkweigering ambtenaar

Appellante, werkzaam als telefoniste/receptioniste bij de Utrechtse GG&GD, werd medisch geschikt verklaard om 12 uur per week passend werk te verrichten. Ondanks meerdere waarschuwingen weigerde zij dit werk te hervatten. Het college besloot daarom de betaling van haar bezoldiging vanaf 24 oktober 2005 stop te zetten op grond van artikel 7:22 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU).

De rechtbank vernietigde dit besluit voor de periode tot 11 november 2005, maar handhaafde het vanaf die datum. Appellante stelde dat de sanctie niet met terugwerkende kracht mocht worden toegepast en dat het rechtszekerheidsbeginsel werd geschonden doordat zij niet opnieuw gewaarschuwd was.

De Raad oordeelde dat het college niet verplicht was een nieuwe waarschuwing te geven na de mededeling van de gedeeltelijke geschiktverklaring. Appellante had kunnen begrijpen dat zij vanaf 11 november 2005 het passende werk moest hervatten, anders zou de bezoldiging worden stopgezet. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de stopzetting van de bezoldiging vanaf 11 november 2005 wegens weigering passend werk te verrichten.

Uitspraak

07/6284 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 september 2007, 06/4260 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: college)
Datum uitspraak: 7 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Vaessen, advocaat te Utrecht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.M. van der Sprong, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellante was werkzaam als telefoniste/receptioniste bij de Utrechtse GG&GD. Vanaf 2004 heeft zij perioden gehad van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. In het kader van haar re-integratie is zij medisch in staat geacht aangepaste, passende arbeid bij de GG&GD te verrichten voor een gedeelte van haar betrekkingsomvang. Op meerdere momenten is zij ervoor gewaarschuwd dat zij toepassing riskeerde van de bezoldigingssanctie van artikel 7:22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU), als zij, ondanks geschiktheid daarvoor, weigerde dat passende werk te verrichten.
1.2. Op 11 oktober 2005 heeft de bedrijfsarts appellante medisch in staat geacht gedurende 12 uur per week passend werk te verrichten. Appellante heeft dat werk geweigerd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft desgevraagd aan het college laten weten dat appellante in onvoldoende mate meewerkte aan haar re-integratie. Naar aanleiding van een ziekmelding per 24 oktober 2005 heeft de leidinggevende van appellante op 10 november 2005 na overleg met de bedrijfsarts appellante laten weten dat zij 12 uur per week passend werk kon verrichten. Appellante heeft zich aan die mededeling niets gelegen laten liggen.
1.3. Het college heeft daarin aanleiding gezien bij besluit van 22 november 2005 de betaling van de bezoldiging van appellante met ingang van 24 oktober 2005 te staken op grond van artikel 7:22, tweede lid, aanhef en onder c, van de ARU. Het daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 25 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit).
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verkaard. Zij heeft dat besluit vernietigd voor zover de doorbetaling van de bezoldiging is gestaakt over de periode van 24 oktober 2005 tot 11 november 2005. Voor zover het college artikel 7: 22 van de ARU heeft toegepast vanaf 11 november 2005 heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten. Zij was van oordeel dat appellante vanaf het moment waarop zij, op 10 november 2005, van het standpunt van de bedrijfsarts over haar (gedeeltelijke) arbeidsgeschiktheid op de hoogte was gesteld, ermee rekening had kunnen houden dat het college de sanctie van artikel 7:22 van Pro de ARU zou toepassen.
3. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat het bestreden besluit, voor zover dat door de rechtbank in stand is gelaten, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel doordat (nog steeds) terugwerkende kracht is gegeven aan de toepassing van artikel 7:22 van Pro de ARU. Naar haar oordeel kan de hier toegepaste maatregel van stopzetting van de bezoldiging naar haar aard en bedoeling nimmer met terugwerkende kracht gebeuren.
Het college kan zich verenigen met de hierover door de rechtbank gegeven beslissing.
4. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.
4.1. Hij deelt het standpunt van de rechtbank en het college dat de tekst van artikel 7:22, tweede lid, aanhef en onder c, van de ARU, die overeenkomt met de tekst van artikel 7:14, tweede lid, aanhef en onder c, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten, aan het college de bevoegdheid - en zelfs de verplichting - geeft om de doorbetaling van de bezoldiging van de ambtenaar te staken zodra (en voor zolang) de ambtenaar weigert aangeboden gangbare (thans: passende) arbeid te verrichten. Zonder nadere voorwaarden is immers bepaald: de doorbetaling van de bezoldiging wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar weigert aangeboden gangbare arbeid te verrichten waartoe hij verplicht is.
Deze situatie deed zich voor appellante in ieder geval voor op 11 november 2005.
4.2. Het door appellante gedane beroep op het rechtszekerheidsbeginsel gaat niet op. Hoewel artikel 7:22 van Pro de ARU niet vereist dat voorafgaand aan de toepassing daarvan een waarschuwing wordt gegeven - het artikel bevat een bijzondere bepaling van de regel dat de ambtenaar die opzettelijk nalaat zijn werk te verrichten geen aanspraak heeft op bezoldiging - heeft appellante, zoals reeds onder de feiten is vermeld, meerdere waarschuwingen gehad dat toepassing van de sanctie zou plaatsvinden indien zij weigerachtig zou zijn of blijven. Appellante is zich daarvan blijkens de gedingstukken ook bewust geweest. Door haar is niet ontkend dat zij had kunnen begrijpen dat zij na de mededeling van de (gedeeltelijke) geschiktverklaring op 10 november 2005, op 11 november 2005 - op straffe van het stopzetten van de bezoldiging - niet kon weigeren het werk waarvoor ze geschikt was, te hervatten. Dat haar toen niet opnieuw de waarschuwing is gegeven dat de sanctie dreigde van het staken van de bezoldiging, kan het college niet worden tegengeworpen.
5. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2009.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) M.B. de Gooijer.
HD