ECLI:NL:CRVB:2009:BI4721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 augustus 1998 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar het samenwonen van appellante met [K.]. Op basis van dit onderzoek werd de uitkering ingetrokken met ingang van 1 juli 1999 en teruggevorderd over de periode 1 juli 1999 tot 30 april 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond en stelde de ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding vast op november 2001. De Svb nam nieuwe besluiten waarin de intrekking en terugvordering werden aangepast aan deze datum. Appellante voerde aan dat zij niet vanaf november 2001 een gezamenlijke huishouding voerde en betwistte de juistheid van haar verklaring.
De Raad oordeelt dat de gezamenlijke huishouding objectief moet worden beoordeeld aan de hand van hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg. Uit verklaringen, medische rapportages, het huurcontract en gedragingen blijkt dat appellante en [K.] vanaf november 2001 samenwoonden en zorg voor elkaar droegen. De Raad acht de verklaring van appellante betrouwbaar en wijst haar betwisting af.
De intrekking van de uitkering en terugvordering over de periode 1 december 2001 tot en met 30 april 2006 zijn daarmee terecht. De Svb had de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase niet vergoed, wat de Raad corrigeert. Het hoger beroep wordt voor het overige afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering vanaf 1 december 2001 zijn terecht, met vergoeding van gemaakte proceskosten aan appellante.