ECLI:NL:CRVB:2009:BI4228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens bezit onroerend goed en oncontroleerbare werkzaamheden
Appellant ontving bijstand van november 1999 tot december 2005. Na een anonieme tip en onderzoek bleek dat appellant eigenaar was van een woning met drie appartementen, met een waarde boven de toepasselijke vermogensgrens. Tevens verrichtte appellant oncontroleerbare werkzaamheden waarvoor hij geen melding maakte, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand in over verschillende perioden en stelde een aanvraag buiten behandeling wegens het niet verstrekken van noodzakelijke gegevens. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand omdat appellant niet aannemelijk maakte dat de waarde van het onroerend goed lager was dan aangenomen, noch dat er een in aanmerking te nemen schuld bestond. Ook acht de Raad het aannemelijk dat appellant oncontroleerbare werkzaamheden verrichtte. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand wegens bezit van vermogen boven de vermogensgrens en het verrichten van oncontroleerbare werkzaamheden.