ECLI:NL:CRVB:2009:BI3991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. de Mooij
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek behoud Wajong-uitkering bij verhuizing naar Griekenland
Appellant, geboren in 1966, ontving sinds 1995 een Wajong-uitkering. Hij verzocht het UWV om vaststelling dat hij zijn uitkering kan behouden indien hij met zijn ouders naar Griekenland verhuist, vanwege zijn volledige afhankelijkheid van hun verzorging. Het UWV wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat de verhuizing van zijn ouders niet noodzakelijk was en appellant niet volledig afhankelijk van hen was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn moeder zich nog steeds in Griekenland wil vestigen en dat het gebruikelijk is dat ouderen terugkeren naar hun land van herkomst. Hij benadrukte zijn volledige afhankelijkheid van zijn moeder voor verzorging.
De Raad oordeelde dat het recht op Wajong-uitkering eindigt bij verblijf buiten Nederland, tenzij toepassing van de hardheidsclausule leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De verhuizing van de moeder was niet noodzakelijk maar een eigen keuze, en er waren geen andere zwaarwegende redenen of aanmerkelijk nadeel vastgesteld. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de Wajong-uitkering eindigt bij verhuizing naar Griekenland.