ECLI:NL:CRVB:2009:BI3768
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en herbeoordeling arbeidsongeschiktheid appellant
Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt wegens de ziekte van Morbus Ménière en bijkomende klachten, meldde zich ziek met toegenomen arbeidsongeschiktheid vanwege visusklachten. Het UWV wees een herziening van de uitkering af, waarna appellant bezwaar maakte en in beroep ging tegen deze besluiten. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak vanwege een onjuiste omvang van het geding.
In hoger beroep heeft het UWV alsnog een arbeidskundig onderzoek laten verrichten, waaruit bleek dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant tussen 45 en 55% ligt. De Raad acht het onderzoek zorgvuldig en de vastgestelde beperkingen juist. Appellant voerde aan volledig arbeidsongeschikt te zijn en betwistte de deskundigheid van de arbeidsdeskundige, maar deze bezwaren werden verworpen.
De Raad oordeelt dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor de oorspronkelijke uitkering is toegekend. Tevens is onvoldoende bewijs geleverd voor volledige arbeidsongeschiktheid of voor toerekenbare schade. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en vergoedt het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bevestigt de vaststelling van arbeidsongeschiktheid tussen 45 en 55%, met vergoeding van wettelijke rente en griffierecht.