ECLI:NL:CRVB:2009:BI3523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellant was sinds 3 januari 2000 werkzaam als technisch onderhoudsmonteur, maar staakte zijn werkzaamheden op 12 april 2000 wegens psychische klachten. Hij vroeg een WAO-uitkering aan, die het Uwv op 29 maart 2001 weigerde, stellende dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was omdat hij geschikt was voor andere functies. Na bezwaar en eerdere procedures oordeelde de rechtbank dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid conform het Schattingsbesluit moest beoordelen, waarbij ten minste drie functies als maatstaf gelden.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat appellant bij aanvang van zijn WAO-verzekering reeds volledig arbeidsongeschikt was, omdat er slechts twee geschikte functies voor hem waren aan te wijzen, wat niet voldoet aan de wettelijke eis van drie functies. De weigering van de uitkering kan daarom alleen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO worden gerechtvaardigd, een discretionaire bevoegdheid die het Uwv naar oordeel van de Raad voldoende heeft gemotiveerd.
De Raad wijst erop dat appellant voorafgaand aan zijn dienstverband langdurig niet actief was op de arbeidsmarkt en dat zijn uitval na iets meer dan drie maanden plaatsvond. Het Uwv heeft bovendien gesteld dat bij een medische keuring vooraf de arbeidsongeschiktheid waarschijnlijk was vastgesteld. De Raad ziet geen reden om de uitspraak van de rechtbank te wijzigen en bevestigt de weigering van de WAO-uitkering. Er worden geen proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.