ECLI:NL:CRVB:2009:BI3132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Intrekking Wajong-uitkering wegens verblijf in Turkije zonder medische noodzaak tot verzorging
Betrokkene ontving sinds 2000 een Wajong-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na verzoek om met behoud van uitkering in Turkije te wonen, weigerde appellant dit en schortte vervolgens de uitkering op, gevolgd door intrekking en terugvordering wegens verblijf in het buitenland.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor het verblijf in Turkije en dat het onderzoek onzorgvuldig was, waardoor het beroep van betrokkene werd toegewezen. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat betrokkene sinds juli 2003 vrijwel onafgebroken in Turkije verbleef en dat geen medische noodzaak bestond voor verzorging.
De Raad stelde vast dat het rapport werknemersfraude voldoende feitelijke grondslag bood voor schorsing en intrekking van de uitkering. Betrokkene had niet aangetoond volledig afhankelijk te zijn van derden voor verzorging. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de omstandigheden van betrokkene niet voldeden aan de criteria voor onbillijkheid van overwegende aard. De terugvordering was terecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de Wajong-uitkering wordt bevestigd en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.