ECLI:NL:CRVB:2009:BI2265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vervolguitkering WW op grond van overgangsrecht
Appellant ontving een WW-uitkering vanaf 7 november 2002, bestaande uit een loongerelateerde uitkering en een vervolguitkering. Deze uitkering eindigde op 1 november 2003 vanwege werkhervatting bij een nieuwe werkgever. Vervolgens vroeg appellant een aanvullende WW-uitkering aan per 23 januari 2007.
Het UWV kende appellant een WW-uitkering toe voor de duur van 38 maanden, lopende tot 22 maart 2010. Appellant maakte bezwaar tegen de einddatum en stelde aanspraak te kunnen maken op een vervolguitkering op grond van het overgangsrecht van artikel 130h WW, omdat zijn dienstverband dat leidde tot een WAO-uitkering vóór 11 augustus 2003 zou zijn geëindigd.
De rechtbank oordeelde dat het recht op WW-uitkering was geëindigd door werkhervatting en dat een nieuw recht was ontstaan met een eerste werkloosheidsdag in 2007. Hierdoor viel appellant niet onder het overgangsrecht. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en bevestigde dat appellant geen recht heeft op een vervolguitkering omdat zijn eerste werkloosheidsdag niet vóór 11 augustus 2003 lag en de overgangsbepaling geen ruimte biedt voor andere situaties. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een vervolguitkering omdat zijn eerste werkloosheidsdag niet vóór 11 augustus 2003 ligt.