ECLI:NL:CRVB:2009:BI1920
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant en [B.] ontvingen bijstand van de gemeente Zwolle. Na een melding dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, voerde de sociale recherche onderzoek uit, waaronder observaties en getuigenverhoren. Het College trok de bijstand van [B.] in en vorderde de kosten terug, ook van appellant, omdat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning zouden hebben gehad.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de terugvordering ongegrond, stellende dat appellant zijn hoofdverblijf bij [B.] had. Appellant voerde verweer tegen deze uitspraak. De Raad toetste of sprake was van een gezamenlijke huishouding, zoals bedoeld in de WWB, waarbij het hoofdverblijf in dezelfde woning en zorg voor elkaar centraal staan.
De Raad concludeerde dat appellant en [B.] gedurende de periode hun hoofdverblijf feitelijk hadden in de woning van [B.], ondanks dat zij elk een eigen adres hadden. Dit werd ondersteund door verklaringen van [B.] en observaties. Verklaringen van buurtbewoners en over appellant op de automarkt werden niet doorslaggevend geacht. De Raad oordeelde dat het College bevoegd was de bijstand terug te vorderen op grond van artikel 59 WWB Pro en dat het beleid correct was toegepast.
Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.