Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BI1708

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1690 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 WWBArt. 6:10 AwbArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking bijstandsuitkering en schadevergoeding

Appellante ontving een bijstandsuitkering op grond van de WWB. Het College van B&W Amsterdam schortte de bijstand op en trok deze later in omdat appellante haar inkomstenverklaring niet had ingeleverd. Appellante maakte bezwaar tegen beide besluiten. Het College herroept later de intrekking en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatig handelen.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk omdat het opschortingsbesluit was ingetrokken en appellante geen belang meer had bij het beroep. In hoger beroep betoogde appellante dat haar bezwaar mede tegen het intrekkingsbesluit moest worden begrepen en dat zij recht had op een hogere schadevergoeding.

De Raad oordeelt dat het bezwaar van appellante uitsluitend betrekking had op de opschorting en niet op de intrekking. Het College had het intrekkingsbesluit herroepen en een schadevergoeding toegekend, waartegen appellante geen beroep had ingesteld. Er was geen resterend procesbelang. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

08/1690 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2008, 06/1034 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).
Datum uitspraak: 7 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2009. Appellante is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Bensoussan, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Bij besluit van 28 december 2005 heeft het College met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht van appellante op bijstand met ingang van 1 november 2005 opgeschort, op de grond dat zij haar inkomstenverklaring over de maand november 2005 niet heeft ingeleverd. Bij brief van 30 december 2005 heeft appellante daartegen bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 10 januari 2006 heeft het College met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2005 ingetrokken op de grond dat appellante haar inkomstenverklaring over de maand november 2005 niet heeft teruggestuurd aan de Dienst Werk en Inkomen (DWI) en evenmin heeft gereageerd op het verzoek van de DWI om contact op te nemen. Bij brief van 5 februari 2006 heeft appellante daartegen bezwaar gemaakt.
1.4. Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 december 2005 gegrond verklaard en dat besluit ingetrokken.
1.5. Bij besluit van 28 februari 2006 heeft het College de intrekking van de bijstand ongedaan gemaakt. Voorts heeft het College bij dat besluit - onder verwijzing naar zijn besluit van 14 februari 2006, waaruit volgens het College voortvloeit dat bij de opschorting van de bijstand sprake is geweest van onrechtmatig handelen van de DWI - aan appellante een schadevergoeding van € 30,-- toegekend. Deze vergoeding is berekend op basis van de wettelijke rente. Daarbij heeft het College in aanmerking genomen dat aan appellante op 8 februari 2006 een voorschot van € 723,20 en op 22 februari 2006 een voorschot van € 1.000,-- is betaald.
1.6. Bij besluit van 13 juli 2006 heeft het College geconcludeerd dat appellante niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het in het besluit van 28 februari 2006 vervatte besluit tot toekenning van schadevergoeding. Het College heeft een hierop betrekking hebbende brief van appellante van 3 mei 2006 opgevat als een verzoek om herziening van dat schadebesluit. Dat verzoek is afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 14 februari 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van appellante uitsluitend betrekking kan hebben op de opschorting en dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van dat beroep, nu het opschortingsbesluit is ingetrokken en haar verzoek om een hogere schadevergoeding dan de haar toegekende vergoeding van wettelijke rente door het College bij in beroep niet aan de orde zijnde besluiten is afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellante heeft naar voren gebracht dat het op zijn plaats zou zijn geweest indien de rechtbank haar verzoek om uitstel van de behandeling van haar zaak ter zitting had gehonoreerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd waarom dat verzoek niet is ingewilligd. De Raad ziet onvoldoende grondslag voor het oordeel dat de rechtbank in dit geval niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de haar op dit punt toekomende bevoegdheid. Hij betrekt daarbij dat appellante, gelet op het tijdstip waarop zij voor de zitting is uitgenodigd, geruime tijd de gelegenheid heeft gehad zich op de zitting voor te bereiden. De Raad is overigens niet gebleken dat appellante toen nog niet kon beschikken over (afschriften van) de voor de behandeling van haar zaak relevante stukken.
4.2. De Raad kan appellante niet volgen in haar betoog dat haar bezwaarschrift van 30 december 2005 ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht moest worden mede te zijn gericht tegen het intrekkingsbesluit van 10 januari 2006 en dat het College in het besluit op bezwaar van 14 februari 2006 daarom ten onrechte het besluit van 10 januari 2006 onbesproken heeft gelaten. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het bezwaarschrift van appellante van 30 december 2005 uitsluitend betrekking kon hebben op de opschorting van de bijstand. Het intrekkingsbesluit dateert immers van na die datum, en van omstandigheden als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb - die een prematuur bezwaar kunnen rechtvaardigen - is niet gebleken. Het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb maakt het vorenstaande niet anders, nu het hier twee te onderscheiden rechtsgevolgen betreft en de intrekking van de bijstand niet kan worden aangemerkt als een wijziging of een intrekking van de opschorting.
4.3. Voorts staat vast dat appellante afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 januari 2006 en dat het College hierop een afzonderlijk besluit op bezwaar heeft genomen, te weten het besluit van 28 februari 2006 waarbij de intrekking van de bijstand is herroepen. Daartegen heeft appellante geen (afzonderlijk) beroepschrift ingediend. Het beroepschrift van appellante van 14 februari 2006 ziet uitsluitend op het besluit van 14 februari 2006 en betreft derhalve alleen de opschorting van de bijstand. Onder verwijzing naar hetgeen in onderdeel 4.2 is overwogen, is de Raad van oordeel dat het beroep niet geacht kan worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 28 februari 2006, nog daargelaten welk belang appellante bij zo’n beroep zou hebben gehad.
4.4. Nu het opschortingsbesluit was ingetrokken bestond in zoverre geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 14 februari 2006.
4.5. Anders dan appellante, is de Raad van oordeel dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat een belang van appellante bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 14 februari 2006 ook niet meer kon zijn gelegen in de door haar gewenste schadevergoeding. Het College heeft bij dit besluit - naar ter zitting is bevestigd - de onrechtmatigheid van het opschortingsbesluit van 28 december 2005 erkend en op 28 februari 2006 een zelfstandig schadebesluit genomen met betrekking tot de schade die het gevolg was van dit onrechtmatige opschortingsbesluit. Uit het besluit van 13 juli 2006 blijkt voorts dat het College geen aanleiding heeft gezien het besluit van 28 februari 2006 te herzien. Appellante heeft, zoals hiervoor al is vastgesteld, tegen het besluit van 28 februari 2006 geen beroep ingesteld en evenmin rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 13 juli 2006.
4.6. De Raad is niet gebleken van enig ander in beroep nog resterend (proces)belang bij appellante. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 14 februari 2006 derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.7. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2009.
(get.) C. van Viegen.
(get.) N.L.E.M. Bynoe.
IA