ECLI:NL:CRVB:2009:BI0936
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering urenbeperking
Betrokkene, werkzaam als modinette, kreeg sinds 1988 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2006 door verzekeringsarts Schlosser werd geconcludeerd dat betrokkene slechts lichte beperkingen had, met een lichte urenbeperking van 8 uur per dag, waarna het UWV de uitkering introk.
Betrokkene voerde in bezwaar en beroep aan dat haar lichamelijke en psychische klachten waren onderschat en dat de urenbeperking onterecht niet was toegepast, mede vanwege een verstoord dagverhaal. De rechtbank Breda oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom geen urenbeperking werd toegepast en vernietigde het besluit.
In hoger beroep stelde het UWV dat het niet nodig was informatie bij de huisarts op te vragen en lichtte het de thuissituatie toe. De Raad constateerde echter dat de bezwaarverzekeringsarts Lenders onvoldoende had toegelicht waarom geen aanvullend onderzoek was gedaan en dat de beschrijving van de psychische toestand door Lenders onjuist was weergegeven.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het UWV het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb had genomen en veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene. Het belang van een volledige en juiste motivering bij het vaststellen van urenbeperkingen werd benadrukt.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering is onvoldoende gemotiveerd en in strijd met de Awb, waardoor het UWV het besluit opnieuw moet nemen.