ECLI:NL:CRVB:2009:BI0316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Anw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding met schoonzus
Appellante ontving een Anw-uitkering die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd ingetrokken omdat zij sinds november 2005 een gezamenlijke huishouding zou voeren met haar schoonzus. Uit gegevensuitwisseling en een ingevuld onderzoeksformulier bleek dat appellante en haar schoonzus hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en elkaar wederzijds verzorgden. De Svb stelde dat dit niet binnen een commerciële relatie viel en trok de uitkering per 30 november 2005 in.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de Svb verklaarde dit ongegrond na een huisbezoek. De rechtbank bevestigde dit oordeel en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Anw. De Raad benadrukte dat de motieven van betrokkenen niet relevant zijn, maar dat objectieve criteria zoals hoofdverblijf en wederzijdse verzorging doorslaggevend zijn.
De Raad verwierp het standpunt van appellante dat de zorgrelatie niet juist was weergegeven en stelde vast dat ook na het huisbezoek de wederzijdse zorg bleef bestaan. Daarnaast oordeelde de Raad dat de situatie niet te vergelijken is met een commerciële relatie. De toekenning van bijstand op alleenstaande norm door de gemeente deed hieraan niet af. Er waren geen dringende redenen om van intrekking af te zien, zodat de intrekking van de Anw-uitkering werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de Anw-uitkering per 30 november 2005 wegens gezamenlijke huishouding met schoonzus wordt bevestigd.