ECLI:NL:CRVB:2009:BH9370
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum WUBO-uitkering en terugwerkende kracht bij aanvraag na werkbeëindiging
Appellant diende in 1994 een aanvraag in voor erkenning als vervolgde op grond van de WUV, welke werd toegekend met een voorziening voor huishoudelijke hulp. In februari 2003 vroeg appellant een periodieke uitkering aan op grond van de WUV, die werd toegekend zonder terugwerkende kracht. Appellant stelde dat op grond van het interne doorwijsbeleid de aanvragen van 1994 en 2003 ook als aanvragen voor de WUBO hadden moeten worden behandeld, met terugwerkende kracht tot respectievelijk 1994 en 2003.
De Raad concludeerde dat de aanvraag van 1994 specifiek gericht was op de WUV en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om terugwerkende kracht toe te passen. Voor de aanvraag van 2003 oordeelde de Raad anders: gezien de werkbeëindiging en het doorwijsbeleid had de ingangsdatum van de WUBO-uitkering met terugwerkende kracht op 1 februari 2003 moeten worden vastgesteld.
Het bestreden besluit werd vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en strijd met artikel 7:12 Awb Pro. De Raad bepaalde zelf de ingangsdatum op 1 februari 2003 en veroordeelde de Pensioen- en Uitkeringsraad tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De ingangsdatum van de WUBO-uitkering wordt met terugwerkende kracht vastgesteld op 1 februari 2003.