ECLI:NL:CRVB:2009:BH8193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering te hoge ZW-uitkering met terugwerkende kracht
Appellante was directiesecretaresse en meldde zich ziek op 26 maart 2002. Haar dienstverband eindigde op 11 april 2002. Het UWV betaalde haar onterecht 100% van haar dagloon aan ZW-uitkering, terwijl dit 70% had moeten zijn. Diverse besluiten tot herziening en terugvordering volgden, waarbij het UWV uiteindelijk een bedrag van €6.554,52 terugvorderde over de periode van 11 april tot en met 31 december 2002.
De rechtbank vernietigde het besluit van 6 juli 2005 wegens onvoldoende motivering, maar oordeelde dat appellante redelijkerwijs had moeten weten dat zij te veel ontving. In hoger beroep stelde appellante dat zij pas op 21 juni 2002 haar eerste betaling ontving zonder specificatie en dat het dagloon haar onbekend was. Zij verzocht ook om schadevergoeding.
De Raad overwoog dat het UWV pas met het besluit van 17 januari 2007 een specificatie gaf, waardoor de rechtbank het eerdere besluit terecht vernietigde. Uit bankafschriften bleek dat appellante op 21 juni 2002 een betaling ontving die haar duidelijk had moeten maken dat zij te veel kreeg. De Raad bevestigde dat het UWV terecht de uitkering met terugwerkende kracht herzag en het bedrag terugvorderde. Het beroep tegen het besluit van 17 januari 2007 werd ongegrond verklaard en de schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de herziening en terugvordering van de ZW-uitkering wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.