ECLI:NL:CRVB:2009:BH7254
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering en geen recht op vervolguitkering na ontslag
Appellante was sinds 1974 in dienst bij haar werkgever en werd ontslagen nadat de locatie waar zij werkte werd gesloten. Haar WW-uitkering werd toegekend vanaf 1 april 2004, maar het UWV beëindigde deze per 1 april 2007. Appellante stelde dat zij recht had op een vervolguitkering op grond van overgangsrecht, omdat de ontslagaanzegging volgens haar vóór 11 augustus 2003 had plaatsgevonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de opzegging na 11 augustus 2003 was aangezegd, wat door de Raad werd bevestigd. De Raad overwoog dat de ontslagvergunning op 28 augustus 2003 werd verleend en de opzegging op 2 september 2003 schriftelijk werd bevestigd. Het eerdere bericht over sluiting van de locatie en de zoektermijn in het Sociaal Plan veranderden hier niets aan.
Appellante verwees naar eerdere jurisprudentie en stelde strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, maar de Raad verwierp deze argumenten en bevestigde de eerdere uitspraak. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter H.G. Rottier op 25 februari 2009.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht beëindigd en er bestaat geen recht op een vervolguitkering omdat de opzegging na 11 augustus 2003 plaatsvond.