ECLI:NL:CRVB:2009:BH6447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- P.J. Jansen
- R.H. de Bock
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAJONG-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen na ziekte van Lyme
Appellant, geboren in 1976, was werkzaam als bakkerijmedewerker tot eind 2004 en ontving daarna een WW-uitkering. Hij meldde zich ziek met vermoeidheidsklachten en vroeg om een WAJONG-uitkering, die werd geweigerd omdat geen sprake was van een periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid.
Appellant stelde dat hij de ziekte van Lyme had doorgemaakt en dat zijn klachten onderschat werden. Medisch onderzoek door verzekeringsartsen en een bezwaarverzekeringsarts concludeerden echter dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor actieve ziekte of medische beperkingen die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. De psychotherapeut rapporteerde inadequaat herstelgedrag en persoonlijkheidsproblematiek, maar geen medische beperkingen.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat appellant onvoldoende concrete medische stukken had ingebracht om het oordeel te weerleggen. De rechtbanken hadden de beroepen tegen de besluiten van het UWV terecht ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees een proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft het UWV-besluit tot beëindiging van het ziekengeld en weigering van de WAJONG-uitkering in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAJONG-uitkering en het beëindigen van ziekengeld wegens onvoldoende medische beperkingen.