ECLI:NL:CRVB:2009:BH6432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering AOW wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf 1 maart 2002 een AOW-pensioen voor een ongehuwde. Naar aanleiding van een tip startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) in 2005 een onderzoek naar de rechtmatigheid van deze uitkering. Uit verklaringen van appellant, betrokkene en buurtbewoners bleek dat appellant sinds 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen de herziening en terugvordering ongegrond, waarbij het belang van de verklaringen van betrokkenen en de onderzoeksgegevens werd benadrukt. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet samenwoonde en dat verklaringen onder druk waren afgelegd, maar de Raad verwierp deze grieven en onderschreef het oordeel van de rechtbank.
De Raad oordeelde dat het feit dat appellant en betrokkene een aparte woning aanhielden en de subjectieve beleving van appellant niet relevant zijn voor het begrip gezamenlijke huishouding. Ook het beroep op beleidsregels van de Svb werd verworpen wegens gebrek aan aannemelijkheid van twijfel over duurzaamheid of hulpbehoevendheid.
De Raad concludeerde dat appellant zijn wettelijke inlichtingenplicht had geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden, waardoor onverschuldigd teveel AOW was betaald. De herziening en terugvordering waren daarom terecht. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening en terugvordering van de AOW-uitkering bevestigd.