ECLI:NL:CRVB:2009:BH6364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-uitbetaling WW-uitkering is feitelijke handeling, geen besluit; beroep ongegrond verklaard
Appellante ontving vanaf mei 2006 een WW-uitkering en maakte bezwaar tegen het uitblijven van betaling in december 2006. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het niet-uitbetalen geen besluit is in de zin van de Awb. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de uitkering inmiddels was betaald.
In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt en stelt dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten in bezwaar niet heeft vergoed. De Raad oordeelt dat appellante wel degelijk procesbelang heeft, ondanks de latere betaling van de uitkering, en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.
De Raad bevestigt dat het niet-uitbetalen van de WW-uitkering een feitelijke handeling is en geen besluit in de zin van de Awb, waardoor bezwaar niet openstaat. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen grond voor schadevergoeding, maar het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante in hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat het niet-uitbetalen van de WW-uitkering een feitelijke handeling is en geen besluit.