ECLI:NL:CRVB:2009:BH6285

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3207 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen interne sturingsbrief over registratie en declaratie

Appellant, werkzaam als accountant bij de Belastingdienst, werd onderzocht vanwege zijn registratie van gewerkte uren en declaraties van reis- en verblijfskosten. In augustus 2006 ontving hij een brief waarin werd medegedeeld dat er geen aanleiding was om hem plichtsverzuim te verwijten, maar dat er wel een nader gesprek zou plaatsvinden over transparantie in registratie en declaratie.

Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief volgens de staatssecretaris niet gericht was op rechtsgevolg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, stellende dat de brief een normaal sturingsmiddel is binnen de interne verhoudingen en appellant daardoor niet in een rechtspositioneel belang wordt getroffen.

De Raad oordeelde dat de brief niet als een beoordeling met rechtsgevolg kan worden aangemerkt. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

07/3207 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 april 2007, 06/10976, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Financiën, als rechtsopvolger van de Minister van Financiën (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 5 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2009. Appellant is verschenen en de staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer, werkzaam bij het ministerie van Financiën.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant is in dienst van het ministerie van Financiën werkzaam als accountant in de buitendienst bij de Belastingdienst regio [regio].
1.2. In maart 2006 is de leiding van de regio een onderzoek gestart naar de wijze waarop appellant zijn gewerkte uren registreert en de hieraan verbonden reis- en verblijfkosten declareert.
1.3. Bij brief van 24 augustus 2006 is appellant meegedeeld dat de bevindingen van het onderzoek onvoldoende aanleiding geven hem plichtsverzuim ten laste te leggen. Voorts is aangegeven dat er vragen blijven over de onderwerpen van het onderzoek en dat binnenkort met appellant een gesprek zal plaatsvinden om te komen tot een voldoende transparante wijze van registratie en declaratie.
1.4. Het bezwaar van appellant tegen de brief van 24 augustus 2006 is bij het bestreden besluit van 29 september 2006 niet-ontvankelijk verklaard, omdat die brief volgens de staatssecretaris niet is gericht op rechtsgevolg.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellant door de brief van 24 augustus 2006 niet in enig rechtspositioneel belang wordt getroffen. Dit geldt zowel de mededeling dat geen aanleiding bestaat om appellant plichtsverzuim te verwijten als de aankondiging van een nader gesprek over de wijze van registreren en declareren. Met betrekking tot deze aankondiging heeft de brief het karakter van een normaal sturings-middel in de interne verhoudingen, welke figuur onder andere in de uitspraak van de Raad van 8 april 2004, LJN AO8183 en TAR 2004, 106, aan de orde was. Tegen de brief staat dan ook, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet het rechtsmiddel van bezwaar open.
3.2. Anders dan appellant kan de Raad de brief van 24 augustus 2006 niet aanmerken als een beoordeling - al dan niet in materiële zin - waardoor die brief voor appellant wel op rechtsgevolg zou zijn gericht.
4. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2009.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) K. Moaddine.