ECLI:NL:CRVB:2009:BH6077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Vergoeding loonsanctieperiode en terugvordering bij dubbele uitkering
De zaak betreft een geschil tussen betrokkene en het UWV over de vergoeding van loonkosten die betrokkene onverschuldigd aan haar werkneemster heeft doorbetaald over de periode 3 juni 2004 tot en met 3 oktober 2004. Het UWV legde een loondoorbetalingsverplichting op, die later onrechtmatig werd verklaard. Betrokkene vorderde vergoeding van het volledige loon en bijkomende kosten.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en bepaalde dat betrokkene recht had op vergoeding van de gevorderde schade. Het UWV trok vervolgens het besluit in en stelde zich op het standpunt dat slechts 70% van het doorbetaalde loon en werkgeverslasten vergoed dienen te worden, met de voorwaarde dat betrokkene eerst de werkneemster moet aanspreken voor terugbetaling indien deze een WW-uitkering ontving.
De Raad onderschrijft dit standpunt en oordeelt dat de werkgever een vordering uit onverschuldigde betaling heeft op de werknemer. Omdat de werknemer dubbele inkomsten had (loon en WW-uitkering), kan van de werkgever redelijkerwijs worden verlangd deze vordering in te stellen. De Raad wijst de vergoeding van accountantskosten en overige kosten af wegens onvoldoende onderbouwing.
De Raad bevestigt het vernietigen van het besluit van het UWV, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand en veroordeelt het UWV in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het UWV moet 70% van het doorbetaalde loon en werkgeverslasten vergoeden, maar de werkgever moet eerst de werknemer aanspreken voor terugbetaling indien deze een WW-uitkering ontving.