ECLI:NL:CRVB:2009:BH6047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid Nederlandse sociale verzekeringswetgeving voor grensarbeider met werkzaamheden in Nederland en Duitsland
Appellant was werkzaam bij een Engels metsel- en voegbedrijf met projecten in Duitsland en Nederland. Na ontslag vroeg hij een WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd toegekend maar later werd ingetrokken door het UWV op grond van de veronderstelling dat de Duitse sociale verzekeringswetgeving van toepassing was.
De rechtbank stelde dat appellant uitsluitend in Duitsland werkte en dat Nederland niet bevoegd was om over de WW-uitkering te beslissen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij ook in Nederland werkte en dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is volgens artikel 14, tweede lid, sub b, onder i, van Verordening 1408/71.
De Raad overwoog dat appellant inderdaad enkele dagen in Nederland heeft gewerkt en dat de werkgever projecten in beide landen had. Hierdoor was sprake van werkzaamheden in twee lidstaten en was de Nederlandse wetgeving van toepassing. Ook werd geoordeeld dat het UWV onvoldoende zorgvuldig had onderzocht of de subsidiaire weigeringsgrond standhield.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Nederlandse sociale verzekeringswetgeving is van toepassing en het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.