ECLI:NL:CRVB:2009:BH5758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoud en onterechte schriftelijke waarschuwing
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de weigering van kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2005 door de Sociale verzekeringsbank (Svb), omdat hij het kind niet in belangrijke mate zou hebben onderhouden. Tevens was een schriftelijke waarschuwing opgelegd wegens het niet tijdig doorgeven van wijzigingen in de gezinssituatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Raad stelde echter vast dat de schriftelijke waarschuwing ten onrechte was opgelegd en vernietigde dat besluit. De weigering van kinderbijslag bleef gehandhaafd omdat de betaling van €140 op 6 oktober 2005 niet aan het derde kwartaal van 2005 kan worden toegerekend, conform vaste rechtspraak dat een bijdrage slechts onder omstandigheden aan een volgend kwartaal kan worden toegerekend, niet aan een voorgaand kwartaal.
De Raad veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant. Het beroep werd gegrond verklaard voor zover het de schriftelijke waarschuwing betrof, maar afgewezen voor het deel van de kinderbijslag.
De uitspraak bevestigt het belang van correcte toerekening van onderhoudsbetalingen aan het juiste kwartaal en benadrukt dat sancties als schriftelijke waarschuwingen zorgvuldig moeten worden opgelegd.
Uitkomst: De schriftelijke waarschuwing wordt vernietigd, de weigering van kinderbijslag blijft gehandhaafd.