ECLI:NL:CRVB:2009:BH4724
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1990 een nabestaandenpensioen dat in 1996 werd omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een onderzoek naar het waterverbruik in haar woning concludeerde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) dat appellante vanaf februari 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met W., wat de grondslag vormde voor intrekking van de uitkering en terugvordering van € 70.100,06.
De rechtbank stelde vast dat appellante en W. hun hoofdverblijf vanaf 2003 deelden en dat wederzijdse verzorging plaatsvond, waarna de Svb de uitkering per 1 december 2003 introk en een deel van de terugvordering handhaafde. Appellante voerde aan dat sprake was van een LAT-relatie zonder gezamenlijke huishouding en betwistte de verklaringen over het verblijf bij W., tevens wees zij op haar vrijspraak in een strafzaak wegens valsheid in geschrifte.
De Raad oordeelt dat de verklaringen van appellante en W. tegenover de sociaal rechercheur betrouwbaar zijn en dat de Svb voldoende heeft gemotiveerd dat vanaf 1 december 2003 een gezamenlijke huishouding bestond. De vrijspraak in de strafzaak doet hieraan geen afbreuk. Er zijn geen dringende redenen voor het afzien van intrekking of terugvordering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering per 1 december 2003 bevestigd.