ECLI:NL:CRVB:2009:BH4724

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4189 ANW + 07-4190 ANW + 07-6177 ANW + 07-6178 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 16 AnwArt. 3 AnwArt. 34 Anw
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding

Appellante ontving sinds 1990 een nabestaandenpensioen dat in 1996 werd omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een onderzoek naar het waterverbruik in haar woning concludeerde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) dat appellante vanaf februari 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met W., wat de grondslag vormde voor intrekking van de uitkering en terugvordering van € 70.100,06.

De rechtbank stelde vast dat appellante en W. hun hoofdverblijf vanaf 2003 deelden en dat wederzijdse verzorging plaatsvond, waarna de Svb de uitkering per 1 december 2003 introk en een deel van de terugvordering handhaafde. Appellante voerde aan dat sprake was van een LAT-relatie zonder gezamenlijke huishouding en betwistte de verklaringen over het verblijf bij W., tevens wees zij op haar vrijspraak in een strafzaak wegens valsheid in geschrifte.

De Raad oordeelt dat de verklaringen van appellante en W. tegenover de sociaal rechercheur betrouwbaar zijn en dat de Svb voldoende heeft gemotiveerd dat vanaf 1 december 2003 een gezamenlijke huishouding bestond. De vrijspraak in de strafzaak doet hieraan geen afbreuk. Er zijn geen dringende redenen voor het afzien van intrekking of terugvordering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering per 1 december 2003 bevestigd.

Uitspraak

07/4189 ANW
07/4190 ANW
07/6177 ANW
07/6178 ANW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 juni 2007, 05/1652 en 06/559 (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 24 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen van [W.] (hierna: [W.]) tegen de Svb, met reg.nrs. 07/4196 ANW, 07/4200 ANW, 07/6179 ANW en 07/6180 ANW, plaatsgevonden op 2 december 2008, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg en vergezeld door [W.], en waar de Svb zich heeft laten vertegenwoordigen door A. van der Weert, werkzaam bij de Svb.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaken van appellante wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Aan appellante is met ingang van 1 september 1990 een nabestaandenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet toegekend, dat per 1 juli 1996 is omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
1.2. Naar aanleiding van de resultaten van gegevensvergelijking in het kader van het project “Waterproef” waaruit is gebleken dat in de woning van appellante in een jaar tijd slechts twee kubieke meter water is verbruikt, heeft de sociale recherche van de Svb, regio Noord-Oost, een onderzoek ingesteld. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn enkele korte waarnemingen verricht en zijn appellante en [W.] op 19 april 2005 verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport dat is opgemaakt op 22 juni 2005. De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 13 mei 2005 de Anw-uitkering van appellante per 1 maart 1999 in te trekken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet meer aan de voorwaarden voor een nabestaandenuitkering voldoet omdat zij in februari 1999 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren. Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft de Svb de aan appellante betaalde Anw-uitkering ten bedrage van € 70.100,06 teruggevorderd.
1.3. Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 mei 2005 ongegrond verklaard en daarbij tevens bepaald dat de Anw-uitkering van appellante met ingang van april 2005 herleeft omdat zij sedert 19 april 2005 niet langer een gezamenlijke huishouding voert met [W.]. Bij besluit van 13 februari 2006 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 oktober 2005 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de besluiten van 29 augustus 2005 en 13 februari 2006 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de Svb opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de verklaringen van appellante en [W.] noch uit het waterverbruik met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat appellante al vanaf begin 1999 op het adres van [W.] haar hoofdverblijf heeft gehad, maar dat voldoende aannemelijk is dat dit vanaf enig moment in 2003 het geval is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb toereikend gemotiveerd dat sprake was van wederzijdse verzorging.
3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de Svb bij twee afzonderlijke besluiten van 16 oktober 2007 het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 13 mei 2005 en 28 oktober 2005 in zoverre gegrond verklaard dat de Anw-uitkering per 1 december 2003 wordt ingetrokken en de over de periode van 1 december 2003 tot en met 31 maart 2005 betaalde Anw-uitkering ten bedrage van € 15.832,04, vermeerderd met de in april 2005 aan appellante ten onrechte gerestitueerde ziekenfondspremie ad € 522,86, van appellante wordt teruggevorderd.
4. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat zij en [W.] ter zitting van de rechtbank hebben verklaard, zoals de rechtbank heeft aangenomen, dat zij vanaf 2003 doorgaans bij [W.] verbleef. In de periode tot en met december 2004 verbleef appellante doorgaans van vrijdagmiddag tot en met zondag bij [W.] en doordeweeks als er iets bijzonders was en op feestdagen. Vanaf januari 2005 hebben appellante en [W.] bij wijze van proef gedurende drie maanden samengewoond. Volgens appellante hadden zij en [W.] een LAT-relatie en was geen sprake van wederzijdse verzorging. Appellante heeft erop gewezen dat zij en [W.] door de politierechter zijn vrijgesproken van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte, gepleegd in de periode tot 1 januari 2005. Ten aanzien van het besluit tot terugvordering heeft appellante aangevoerd dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan de Svb had moeten besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. De Raad merkt de besluiten van 16 oktober 2007 aan als besluiten die met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de procedure dienen te worden betrokken. Dit betekent dat het beroep tegen de besluiten van 29 augustus 2005 en 13 februari 2006 geacht moet worden mede te zijn gericht tegen de besluiten van 16 oktober 2007.
5.2. In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw - voor zover hier van belang - is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. Ingevolge het tweede lid van artikel 16 van Pro de Anw eindigt het recht met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding is gaan voeren. Artikel 3, derde lid, van de Anw bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
5.3. De Raad stelt vast dat tussen partijen in geding is of appellante en [W.] vanaf november 2003 een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren, die heeft voortgeduurd tot in april 2005. De Raad is met de Svb van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellante en [W.] ten tijde in dit geding van belang hun hoofdverblijf hadden in de woning van [W.]. De Raad hecht hierbij bijzondere betekenis aan de verklaringen die appellante en [W.] tijdens hun verhoor op 19 april 2005 hebben afgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan. De Raad is niet gebleken dat appellante en [W.] hun verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk hebben afgelegd. Hoewel de Raad aannemelijk acht dat appellante en [W.], zoals toegelicht ter zitting van de Raad, de aanhouding en het verhoor als belastend hebben ervaren, is niet gebleken dat de door hen verstrekte concrete gegevens over in het bijzonder de frequentie van het verblijf van appellante in de woning van [W.] onjuist zijn. De Raad is niet gebleken dat appellante en [W.] tijdens een onderhoud met sociaal rechercheurs op 25 april 2005, waarbij zij zich hebben beklaagd over de aanhouding door de politie en het verhoor op het politiebureau, zijn teruggekomen van de afgelegde verklaringen. Uit het verslag van de door de Svb op 28 juli 2005 gehouden hoorzitting waar appellante en [W.] hun bezwaarschriften hebben toegelicht, blijkt dat evenmin. De Raad gaat dus uit van de juistheid van de op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, waaruit bovendien blijkt dat de afgelegde verklaringen na voor-lezing door appellante en [W.] zijn ondertekend. Noch in hetgeen appellante verder heeft aangevoerd noch in de overige gedingstukken, waaronder de verklaringen die in het strafproces tegenover de rechter-commissaris zijn afgelegd, ziet de Raad voldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel.
5.4. Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen dat de Svb toereikend heeft gemotiveerd dat voldaan is aan het criterium van wederzijdse verzorging. Daaraan kan niet afdoen dat appellante en [W.] hun relatie hebben aangeduid als een LAT-relatie.
5.5. De omstandigheid dat de politierechter appellante en [W.] van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte, voor zover die betrekking heeft op de periode tot 1 januari 2005, heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijke geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.
5.6. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 16, tweede lid, van de Anw eindigde het recht van appellante op nabestaandenuitkering derhalve met ingang van 1 december 2003. De Svb was dan ook op grond van artikel 34 van Pro de Anw gehouden de nabestaandenuitkering met ingang van die datum in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende reden als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien.
5.7. Uit hetgeen is overwogen onder 5.6 volgt dat de Svb aan appellante over de periode van 1 december 2003 tot 1 april 2005 onverschuldigd nabestaandenuitkering heeft betaald. De Svb is op grond van artikel 53, eerste lid, van de Anw verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen behoudens de bevoegdheid om bij aanwezigheid van dringende redenen daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien. De Raad ziet geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 53, vierde lid, van de Anw. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor appellante als gevolg van de terugvordering optreden. De omstandigheid dat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, voor de terugbetaling aan de Svb een lening heeft moeten afsluiten, zij het ene gat met het andere moet vullen, lidmaatschappen van verenigingen heeft moeten opzeggen en appellante haar sociale contacten heeft moeten beperken, leidt de Raad niet tot de conclusie dat de terugvordering tot onaanvaardbare gevolgen heeft geleid.
5.8. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.7 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt en dat het beroep dat mede wordt geacht gericht te zijn tegen de besluiten van 16 oktober 2007 ongegrond moet worden verklaard.
5.9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen de besluiten van 16 oktober 2007 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en C. van Viegen en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2009.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) N.L.E.M. Bynoe.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
OA