ECLI:NL:CRVB:2009:BH4044

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5393 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting medische beperkingen

Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering door het UWV, waarbij zijn arbeidsongeschiktheid werd teruggebracht van 65-80% naar 25-35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat er onvoldoende reden was om te twijfelen aan de medische beoordeling waarop het besluit was gebaseerd.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat niet alle beperkingen waren opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ook stelde hij dat onvoldoende was gemotiveerd waarom de urenbeperking was komen te vervallen. De Raad overwoog dat de brief van de huisarts uit 2007 niet relevant was voor de situatie per 27 augustus 2006 en dat de medische situatie van appellant was verbeterd, onder meer door stoppen met alcoholgebruik en operaties.

De bezwaarverzekeringsarts had vastgesteld dat appellant geschikt was voor licht, zittend werk zonder urenbeperking. De Raad vond de motivering hiervoor deugdelijk en volgde het standpunt van appellant niet dat bepaalde functies ongeschikt zouden zijn vanwege knijpkracht, handelingstempo, hitte of probleemoplossend vermogen.

De Centrale Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en oordeelt dat appellant medisch in staat is de geselecteerde functies te verrichten.

Uitspraak

07/5393 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 augustus 2007, 07/202 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.H. Tjabringa, advocaat te Hattem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tjabringa. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door D. van Leeuwen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 26 juni 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die voorheen werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met ingang van 27 augustus 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 23 januari 2007 (het bestreden besluit).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de medische conclusies zoals die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant in staat moet worden geacht om de door het Uwv geselecteerde functies, die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, te verrichten.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig is geweest en dat niet alle van belang zijnde beperkingen zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 januari 2007. Volgens appellant is ook onvoldoende gemotiveerd waarom er in het verleden wel een beperking is aangenomen in het aantal uren dat appellant per dag en per week kan werken, maar nu niet meer. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op een door hem in beroep overgelegde verklaring van de huisarts van 13 juli 2007. Daarnaast heeft appellant betoogd dat hij gelet op zijn medische beperkingen niet in staat is de door het Uwv geselecteerde functies te verrichten.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen reden is om te oordelen dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist is. De Raad kan zich ook vinden in de overwegingen van de rechtbank daarover.
4.3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Wat betreft de door appellant overgelegde brief van de huisarts overweegt de Raad dat deze brief volgens de bewoordingen daarvan uitgaat van de gezondheidssituatie van appellant op 13 juli 2007, terwijl het in deze zaak gaat om een beoordeling van de situatie per 27 augustus 2006. Verder merkt de huisarts op dat hij een terugkeer van appellant in werk onwaarschijnlijk acht. In die opmerking is op zich geen onderbouwing gelegen voor het standpunt dat appellant op medische gronden niet in staat kan worden geacht tot het verrichten van arbeid. De enkele omstandigheid dat appellant in het verleden door het Uwv niet in staat werd geacht een volle werkweek te werken, betekent niet dat het Uwv daar ook nu weer vanuit zou moeten gaan. In de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 12 april 2007 is uiteengezet dat de medische situatie van appellant is verbeterd en dat er daarom minder beperkingen zijn aangenomen dan in het verleden. Daarbij is erop gewezen dat door de verzekeringsarts is geconstateerd dat appellant ten tijde van zijn onderzoek al een jaar niet meer dronk en geen Refusal meer gebruikte. Ook is er op gewezen dat appellant inmiddels is geopereerd aan galblaas en appendix, hetgeen tot een verbetering van de lichamelijke situatie heeft geleid, en dat er blijkens onderzoek ten aanzien van de knie van een minder ernstige toestand sprake was dan in het verleden. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts in aanmerking genomen dat uit het dagverhaal van appellant geen duidelijke noodzaak tot rustmomenten naar voren kwam en dat appellant slechts geschikt wordt geacht voor fysiek zeer licht en overwegend zittend werk, zodat er ook om die reden een urenbeperking niet aangewezen is. Daarmee acht de Raad deugdelijk gemotiveerd waarom geen urenbeperking (meer) is aangenomen voor appellant.
4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant uitgaande van de vastgestelde beperkingen in medisch opzicht in staat moet worden geacht tot het verrichten van de geselecteerde functies. In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 januari 2007 is voldoende gemotiveerd dat die functies ondanks voorkomende signaleringen geen te zware belasting opleveren voor appellant.
De stelling van appellant dat verschillende functies ongeschikt zijn vanwege een belasting ten aanzien van knijpkracht, handelingstempo, hitte en probleem oplossen, wordt door de Raad niet gevolgd. Zoals in het verweerschrift terecht wordt opgemerkt, is appellant in de FML niet beperkt geacht ten aanzien van handelingstempo. Ook wordt in het verweerschrift terecht aangegeven dat in de geselecteerde functies geen belasting voorkomt ten aanzien van knijpkracht noch wat betreft hitte. De Raad kan in het midden laten de vraag of het Uwv – zoals appellant stelt – een ondoorzichtig standpunt inneemt ten aanzien van de vraag of bij het aspect ‘probleem oplossen’ een nadere toelichting is vereist, nu die toelichting in ieder geval is gegeven in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 januari 2007. De Raad acht die toelichting ook voldoende.
5. De aangevallen uitspraak komt gezien hetgeen onder 4 is overwogen voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) E.M. de Bree.
GdJ