ECLI:NL:CRVB:2009:BH3931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening nabestaandenuitkering zonder terugwerkende kracht en zonder terugvordering
Appellante ontving sinds 1992 een pensioen op grond van de AWW, dat in 1996 werd omgezet in een nabestaandenuitkering volgens de ANW. Na een auto-ongeluk in 1998 werd zij arbeidsongeschikt en kreeg zij een WAZ-uitkering. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag in 2003 haar nabestaandenpensioen door de WAZ-uitkering volledig te korten, zonder terugvordering van te veel betaalde bedragen over de periode 1999-2003.
In 2004 en 2005 volgden verdere besluiten tot aanpassing van de uitkering wegens wijziging van het inkomen, waarbij de Svb in 2005 besloot de korting pas per september 2005 toe te passen vanwege dringende redenen. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat de Svb onzorgvuldig had gehandeld en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel had geschonden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de herziening van de uitkering niet met terugwerkende kracht plaatsvindt en dat er geen terugvordering van te veel betaalde bedragen is. Hierdoor is er geen aanleiding om te spreken van daadwerkelijke ingrijpendheid of kennelijke onredelijkheid. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de Svb het overgangsrecht correct heeft toegepast en dat het beroep van appellante ongegrond is.
De Raad wijst tevens het verzoek om proceskostenveroordeling af en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de nabestaandenuitkering zonder terugwerkende kracht en wijst het hoger beroep af.