ECLI:NL:CRVB:2009:BH3880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering passendheid functies
Appellante, die sinds 1998 vanwege RSI- en psychische klachten niet meer werkte, kreeg vanaf 1999 een WAO-uitkering toegekend. Het UWV trok deze uitkering in 2005 in, stellende dat zij in staat was gangbare werkzaamheden te verrichten. Dit besluit was gebaseerd op verzekeringsgeneeskundige rapportages en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2005.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het bezwaarbesluit van 2006 ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege psychische beperkingen niet in staat was tot arbeid. Zij overhandigde brieven van haar psychiater ter onderbouwing. Het UWV reageerde met een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts.
De Raad oordeelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet onzorgvuldig was en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de belastbaarheid zoals vastgesteld in 2005. De psychiater verwijst naar latere verslechteringen, die niet relevant zijn voor de situatie in 2005. Wel oordeelt de Raad dat het UWV in hoger beroep pas voldoende heeft gemotiveerd waarom de functies passend zijn, zodat het besluit van 17 mei 2006 wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven.
De Raad vernietigt daarom het besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.