ECLI:NL:CRVB:2009:BH3876
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering ondanks geschil over medische duurbeperking
Appellante, die sinds 1996 een WAO-uitkering ontvangt wegens arbeidsongeschiktheid, maakte bezwaar tegen de verlaging van haar uitkering per 17 mei 2005 naar 25-35% arbeidsongeschiktheid. Zij voerde aan dat haar medische beperkingen, met name de duurbeperking die haar maximale werkuren beperkte, ten onrechte waren komen te vervallen.
De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het besluit van het UWV en de motivering van de bezwaarverzekeringsarts beoordeeld. De Raad oordeelt dat de medische onderbouwing voor het vervallen van de duurbeperking voldoende is, mede gelet op het feit dat appellante naast haar parttime werk ook een studie psychologie volgde en actief was in het huishouden en sociale contacten.
De door appellante overgelegde verklaringen van haar revalidatieartsen, die een zwaardere beperking stelden, worden door de Raad niet als doorslaggevend beschouwd. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wijst een kostenveroordeling af.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de medische grondslag voor het vervallen van de duurbeperking toereikend is.