ECLI:NL:CRVB:2009:BH3829

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3950 AOW + 06-3952 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbAlgemene Ouderdomswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AOW-toeslag vanwege onjuiste inkomensvaststelling partner

Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van de AOW-toeslag over 2001, waarbij de Sociale verzekeringsbank (Svb) het inkomen van zijn partner had vastgesteld zonder rekening te houden met arbeidsvergoeding voor twee andere maatschapsleden. Na een eerdere afwijzing van het bezwaar verklaarde de Svb het bezwaar alsnog gegrond, maar de rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit bestreden besluit ongegrond.

Tijdens het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep bleek dat het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid omdat de arbeidsvergoeding ten onrechte buiten beschouwing was gelaten. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit niet gehandhaafd kon blijven en vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover het beroep ongegrond werd verklaard.

De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant. De Raad bepaalde dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van de juiste inkomensvaststelling van de partner.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 februari 2009, waarbij de voorzitter en twee leden het vonnis uitspraken.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het beroep van appellant wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

06/3950 AOW
06/3952 AOW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 juni 2006, 05/445 en 06/463 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 16 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [t. W.], werkzaam bij [naam accountantsbureau] te [vestigingsplaats], hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant is gereageerd door [t. W.].
De Svb heeft bij brief van 24 september 2008 een vraag van de Raad beantwoord. Voorts heeft [t. W.] op verzoek van de Raad een maatschapsovereenkomst in het geding gebracht bij brief van 26 september 2008. Ten slotte heeft [t. W.] in een tweetal brieven het standpunt van appellant nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2009. Namens appellant is daarbij verschenen [t. W.], voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 6 mei 2003 heeft de Svb de aan appellant toegekende toeslag krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) over het jaar 2001 herzien en nader vastgesteld. Daarbij is de Svb ervan uitgegaan dat de partner van appellant in dat jaar een inkomen uit arbeid heeft verworven van € 790,12 per maand.
2. Nadat de Svb bij beslissing op bezwaar van 10 maart 2005 het bezwaar van appellant ongegrond had verklaard, heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 31 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2003 alsnog gegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb het inkomen van de partner van appellant in 2001 nader vastgesteld op € 212,06 per maand. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard.
3. Ter zitting van de Raad is naar aanleiding van vragen van de Raad namens de Svb medegedeeld dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd, nu bij de nadere vaststelling van het inkomen van de partner van appellant in 2001, anders dan bij het primaire besluit en dus ten onrechte, geen rekening is gehouden met de arbeidsvergoeding voor twee andere maatschapsleden.
4. Ook de Raad is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. De Svb dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het hetgeen hiervoor is overwogen.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan appellant.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 805,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan appellant;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde griffierecht ad € 142,-- dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2009.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) W. Altenaar.
RB