ECLI:NL:CRVB:2009:BH3811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig mijnwerker, kreeg in 1968 een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid aan de linker pols. Na diverse herzieningen werd in 2001 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Appellant verzocht het UWV om deze wijziging met terugwerkende kracht toe te passen vanaf 1974, maar dit verzoek werd geweigerd en het bezwaar ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit van 15 oktober 2001, waartegen bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard, in rechte vaststaat. Voor terugkomen op een eerder besluit moeten nieuwe feiten of veranderde omstandigheden worden aangevoerd, wat appellant niet heeft gedaan. De verklaring van een Belgische arts werd niet als nieuw feit erkend omdat deze niet op Nederlandse regelgeving was gebaseerd en eerdere rapporten al rekening hielden met de genoemde afwijkingen.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het verzoek heeft afgewezen zonder nader onderzoek en dat geen sprake is van strijd met rechtsregels of beginselen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.