ECLI:NL:CRVB:2009:BH3366

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3833 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over herziening WAO-uitkering en zorgvuldigheid medisch onderzoek

Appellant verzocht om herziening van zijn WAO-uitkering, waarbij het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagde van 35-45% naar 25-35%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid niet was overschat, maar vond de motivering over de geschiktheid voor geselecteerde functies onvoldoende transparant en toetsbaar. Omdat appellant in beroep aanvullende motivering gaf, vernietigde de rechtbank het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.

In hoger beroep richtte appellant zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de rechtbank terecht oordeelde en dat appellant geen nieuwe argumenten aanvoerde die tot een ander oordeel leiden. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De Raad zag geen aanleiding om artikel 8:75 Awb Pro toe te passen en bevestigde de uitspraak in het openbaar op 18 februari 2009. De zaak betreft een zorgvuldige toetsing van medische belastbaarheid en de motivering van geschiktheid voor functies bij herziening van een WAO-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

07/3833 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], laatstelijk verblijf houdende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2007, 05/5866
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 10 augustus 2007 heeft mr. De Bie de Raad meegedeeld dat zij zich als gemachtigde terugtrekt.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
1.2. Bij besluit van 9 januari 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 23 januari 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
1.3. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 2 november 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verlopen en dat de medische belastbaarheid van appellant bij het bestreden besluit niet is overschat, maar dat de motivering waarom appellant geschikt wordt geacht voor de voor hem geselecteerde functies ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeerde. Omdat in beroep bij de rechtbank alsnog de gewenst geachte onderbouwing is gegeven, heeft de rechtbank in het voetspoor van de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.
3. Het hoger beroep keert zich tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand te laten. De Raad stelt vast dat partijen in essentie hun in de eerdere fasen van het geding ingenomen stellingen hebben herhaald.
4.1. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit, voor zover nog in geschil, stand kan houden.
4.2. De Raad overweegt dienaangaande dat hij zich geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat, in vergelijking met appellants stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
4.3. Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld, hetgeen betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Brand en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009.
(get.) H. Bolt
(get.) I.R.A. van Raaij
CVG