ECLI:NL:CRVB:2009:BH2030

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-514 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk

Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het Uwv, die was gebaseerd op de vaststelling dat zij geschikt was voor haar eigen werk als commercieel medewerkster. De rechtbank oordeelde dat het Uwv terecht de uitkering had ingetrokken omdat er geen sprake meer was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en verzocht zij om het benoemen van een deskundige, mede ondersteund door een rapport van een zenuwarts. Het Uwv reageerde met een tegenrapport van een bezwaarverzekeringsarts. De Raad overwoog dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig was en dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts de stelling van appellante weerlegde.

De Raad vond geen aanleiding om een deskundige te benoemen en onderschreef het standpunt dat appellante geschikt is voor haar eigen werk volgens de Functionele Mogelijkheden Lijst. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante geschikt wordt geacht voor haar eigen werk.

Uitspraak

07/514 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 december 2006, 06/563
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2008, waar partijen met voorafgaande kennisgeving niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 9 september 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 november 2005 ingetrokken. Daarbij heeft het Uwv zich primair op het standpunt gesteld dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk van commercieel medewerkster.
1.2. Bij besluit van 14 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 september 2005 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft zich met de medische component van het bestreden besluit kunnen verenigen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het door het Uwv ingenomen standpunt dat appellante op grond van de voor haar vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk, niet voor onjuist kan worden gehouden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO en dat het Uwv terecht de uitkering heeft ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep dan ook ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellante haar eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden herhaald. Zij is van mening dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn aangenomen en om die reden heeft zij in haar beroepschrift de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Nadien heeft zij ter ondersteuning van haar standpunt nog een rapport van de zenuwarts H.L.S.M. Busard ingebracht.
3.2. Bij schrijven van 1 augustus 2008 heeft het Uwv gereageerd op het rapport van Busard met een rapport d.d. 25 juli 2008 van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Ook de Raad is van oordeel dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De Raad kan zich eveneens verenigen met de wijze waarop de bezwaarverzekeringsarts Tjen het standpunt van Busard dat appellante meer beperkingen heeft, heeft weerlegd. Voor het inschakelen van een deskundige heeft de Raad geen aanleiding gevonden. Voorts onderschrijft ook de Raad het standpunt van het Uwv dat appellante op grond van de FML geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit betekent dat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO geen sprake meer is. De vraag in hoeverre appellante geschikt is voor de voor haar geselecteerde functies kan derhalve buiten beschouwing blijven.
4.2. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) I.R.A. van Raaij.
KR