ECLI:NL:CRVB:2009:BH1285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar sinds 6 april 2000 woonde appellant bij haar, wat leidde tot een verlaging van de toeslag. Naar aanleiding van een vermoeden van gezamenlijke huishouding voerde de sociale recherche een onderzoek uit, resulterend in een rapport van 2 februari 2005. Op basis hiervan trok het College de bijstand met ingang van 19 januari 2005 in en vorderde terugbetaling van de ten onrechte ontvangen bedragen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond en stelde vast dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij sprake was van wederzijdse zorg en geen kostgangersrelatie. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat er sprake was van een commerciële kostgangersrelatie, wat door de Raad werd verworpen. De Raad hechtte waarde aan de verklaringen tegenover de sociale recherche en wees de stellingen van appellanten af.
De Raad oordeelde dat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd en dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden, waardoor het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Ook de medeterugvordering van appellant werd gegrond verklaard. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.