ECLI:NL:CRVB:2009:BH0181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering ondanks vermoeidheidsklachten
Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te verlagen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per 14 augustus 2006. Het UWV had vastgesteld dat zij haar voormalige functies niet meer kon vervullen, maar wel geschikt was voor andere functies met een verlies aan verdienvermogen van ruim 21%.
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard. In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, omdat informatie van het Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid niet was meegenomen. Ook stelde zij dat haar vermoeidheidsklachten objectief waren.
De Raad overwoog dat de verzekeringsarts appellante persoonlijk had onderzocht en informatie had ingewonnen bij haar huisarts en neuroloog. De bezwaarverzekeringsarts had herhaaldelijk informatie opgevraagd bij het Kenniscentrum, maar ontving geen aanvullende medische basis voor extra beperkingen. De door appellante overgelegde aanvullende medische informatie gaf geen aanleiding om het eerdere oordeel te herzien.
De Raad concludeerde dat de functies waarvoor appellante geschikt werd geacht, passend waren bij haar belastbaarheid. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.